HET VERDEELDE LAND. BELGIË 1830-2025
Je kan het boek vinden in de boekhandel of rechtstreeks bestellen bij Lannoo, via deze link: https://www.lannoo.be/nl/het-verdeelde-land
(De foto hierboven is een fragment uit het boek 'De avonturen van Belgman, deel 1' van Hugoké (de in 2021 overleden Hugo De Kempeneer), die illustreerde, en Hugo Claus, die de teksten schreef. Het verscheen in 1967 en was een smakelijke satire van onze communautaire verhalen in België. Het verkocht niet goed. De communautaire spanningen liepen dat jaar bijzonder hoog op, vooral rond de kwestie-Leuven.)
Ons vreemde, verdeelde verleden
Zelfs de stichters van België in 1830, vooral dan de diplomaten in Londen, hadden al het scenario in hun hoofd dat de nieuwe staat snel zou verdwijnen. Sindsdien is het einde van België continu aangekondigd, ontelbare keren. Maar ook de Duitsers, die nochtans flink hun best deden, kregen de kleine staat niet kapot. Inmiddels viert dat eerst precaire en later wankele land over vijf jaar wel zijn tweehonderdste verjaardag.
Die paradox tracht Rolf Falter te verklaren, in zijn nieuwste boek. De splijtzwam tussen Vlamingen en Franstaligen staat er centraal. Vertrekkend van een toch wel vreemde vaststelling: anno 1829 hadden de termen België en Vlaanderen een heel andere betekenis dan vandaag en bestond de term Wallonië zelfs helemaal niet.
Zoals in zijn succesvolle voorgaande historische werken bergt de auteur de clichés en vooroordelen op, van welke kant ook. Hij dringt door tot de karakters, de persoonlijke motieven, de dwaasheden en geniale momenten, de driften en de wijsheden. Pas dan wordt het verhaal boeiend, intrigerend, vaak verrassend en hoe dan ook onvoorspelbaar. Geen van de spelers zelf heeft er greep op.
Vooral stelt Rolf Falter doorheen het snel evoluerend verhaal over ons communautair verleden vragen die toch nog toe te explosief klonken. Waarom is het Nederlands niet verdwenen na 1830? Waarom hebben de Franstaligen zo lang geen Nederlands willen leren? Waarom wilden de Vlamingen het officieel gebruik van het Frans in Vlaanderen bewust doen verdwijnen, en hoever wilden ze daar in gaan? Waarom is het Vlaams-nationalisme overwegend rechts en conservatief geworden, het Waalse overwegend links?
Met die invalshoeken klinkt het verhaal over Vlamingen en Franstaligen in België verrassend nieuw, veel meer op maat van de eenentwintigste eeuw, waarin we hopelijk toch geleerd hebben de nationalistische passies in ieder van ons te relativeren, zonder ze daarom te negeren.
Dit boek levert heel veel nieuwe inzichten op over een oud thema dat we dachten te kennen. Daardoor is het nu al een standaardwerk over een stuk geschiedenis van dit kleine, verdeelde land. Een boek dat iedereen in België zou moeten lezen om de staat waarin we wonen beter te begrijpen, en te beoordelen.
Bij wijze van voorproef: een hoofdstuk uit het boek, met name Hoofdstuk 45: het verhaal van de communautaire hoogspanning rond de splitsing van de universiteit van Leuven in de jaren 1960.
LEUVEN. De tumultueuze splitsing van een vijf eeuwen oude universiteit (1960-1970)
‘Je mag dat communautaire toch nooit onderschatten’, zo zei Hugo Schiltz in een discreet tweegesprek anno 1994. ‘Die hele kwestie van ‘Leuven Vlaams’ eind de jaren zestig, dat had potentieel gewelddadig kunnen worden. Alle communautaire spanningen kwamen daarin bijeen. ‘Walen Buiten’ werd in het gezicht geschreeuwd van mensen waarvan de familie daar al heel lang woonde. En vergeet niet dat er precies in die jaren in Noord-Ierland, in Duitsland en in Italië onder meer elementen uit de studentenbeweging zijn geradicaliseerd naar terrorisme toe.’
Schiltz, 66 op dat moment, was een Antwerpse advocaat, en een man van compromissen. Hij had net meegeholpen aan de realisatie van de vierde staatshervorming, vanuit de oppositie dan nog. Zijn partij, de Volksunie, had na een verkiezingsnederlaag in 1991 verkozen uit de regering te blijven. Ik was de journalist tegen wie Schiltz bovengenoemd citaat van 1994 uitsprak, tijdens een lunch.
Die analyse van Schiltz toen is me altijd blijven intrigeren. Het was, zeker vanuit zijn positie, niet evident wat hij daar zei. Het was ook niet voor publicatie bestemd. Wel was het duidelijk dat hem dat kwelde. Schiltz kon fel zijn in zijn Vlaams-nationale betogen, maar besefte volop de gevaren van elk communautair dossier. Hij had een brede internationale belangstelling, en kende dus de ook donkerste communautaire verhalen elders in Europa. En in het eigen, ook zijn eigen, Vlaams verleden.
Ik heb zijn analyse later kunnen voorleggen aan twee Franstalige politici. De eerste was Gerard Deprez, vandaag bijna 82. Zestien jaar lang is die voorzitter van de Franstalige christendemocraten geweest, en dertig jaar lang een uitermate gedreven Europarlementslid. Hij was in 1992, de co-voorzitter van Schiltz in de communautaire ‘Dialoog’.[1]
Deprez, die in het verwoeste Bastogne opgroeide, en wiens vader, een landbouwer, tijdens Hitlers Ardennenoffensief door de Duitsers vermoord werd, was het omgekeerde van een nationalist. Maar toen ik op een avond begin 1995 naar zijn visie op Schiltz’ verhaal polste in zijn bureau in de verlaten Tweekerkenstraat, knikte hij beamend. Hij had het meegemaakt, 'Leuven-Vlaams', als assistent aan de Franstalige faculteit van Sociale Wetenschappen.
‘Je hebt er geen idee van, hoe kwetsend dat overkwam, dat ‘Walen Buiten’. En hoe boos dat ons maakte. Ik was toch een Waal, niet?’ Waarna hij, na een stilte, zei: ‘Ik ben daar achteraf nooit rancuneus over geweest. Maar begrijp me wel als ik zeg dat ik een zeker wantrouwen heb overgehouden tegenover de Vlamingen. En ik heb het niet over enkele Vlamingen, wel over de Vlamingen. Want ik heb toen niemand geweten die het ‘Walen Buiten’ publiekelijk afkeurde.’
Louis Michel, een zevental jaren later, in één van de lange nachtelijke vergadermarathons van het kabinet-Verhofstadt, deed me quasi dezelfde uitspraak, toen ik hem het verhaal voorlegde. Niet rancuneus dus, wel een blijvend wantrouwen. Alleen dacht hij dat Schiltz overdreef. Hij vond niet dat er toen geweld om de hoek loerde.
Michel was afkomstig uit een Franstalige familie in Tienen. De grote suikerfabriek daar, van in de Franse tijd, had in die stad een belangrijke gemeenschap aan Franstaligen opgeleverd. Hij ging voor leraar Nederlands studeren aan de provinciale normaalschool van Tienen, wat verklaart waarom hij zo goed Nederlands spreekt. Begin jaren zestig werd de Franstalige afdeling daarvan echter definitief gesloten, in toepassing van de taalwetgeving.
Michel, vandaag 78, moest halverwege zijn studies naar het twaalf kilometer zuidelijker gelegen Jodoigne trekken (Geldenaken in de oude Nederlandse naam). De provincie Brabant begon daar toen in zeven haasten een nieuwe Franstalige normaalschool op te richten. De gewezen Tienenaar zou er zich later vestigen, was er 21 jaar burgemeester, en woont er nog steeds.
In de kwestie van de splitsing van de universiteit van Leuven kwamen inderdaad zowat alle hete communautaire dossiers van die jaren samen: de slagschaduw nog van de vernederlandsing van de universiteit van Gent (en de feitelijke liquidatie van de Franstalige universiteit daar); de toepassing van de taalwetten; de nieuwe taalgrens; de ‘olievlek’ rond Brussel, en vooral: de permanente politieke hoogspanning die er sinds de bevrijding in 1945 heerste tussen Waalse en Vlaamse visies en eisen.
De universiteit van Leuven was zich, onder rector en monseigneur Honoré Van Waeyenbergh, na 1945 blijven aanpassen aan het vernederlandsingsproces. Tegen 1960 waren alle richtingen de facto in beide talen te volgen. Wel hadden de taalwet van 1932 en haar consequenties al wat moeilijkheden opgeleverd voor het Franstalig korps van de universiteit: Franstalig onderwijs voor de kinderen, en voor de stagairs voor het onderwijs, werd moeilijker te vinden. Enkel het Heilig Hart-Instituut in Heverlee had nog een Franstalige afdeling, maar die was al gedoemd.[2]
‘Het Vlaams personeel van de universiteit kende niet genoeg Frans meer,’ zo luidde in april 1962 de klacht van ACAPSUL, de nieuwe en militante vereniging van Franstalige academici.[3] Het ging, ten dele en zoals bij het Gentse academisch korps in 1919 en bij kardinaal Mercier, om bekrompenheid in het niet aanvaarden dat Frans niet langer die superieure wetenschapstaal was die ze nog in de eerste helft van de negentiende eeuw leek. Anderzijds was er natuurlijk een reële angst voor de verder oprukkende eentaligheid van Vlaanderen. Le climat à Louvain est devenu irrespirable, zo peroreerde een Franstalige studentenleider al eind 1961. [4]
De Vlamingen hadden ook hun angsten en frustraties. Tot in de eerste jaren van de jaren zestig was Frans nog altijd de voertaal van de faculteitsraden. Meer en meer in het Nederlands opgeleide academici begonnen moeite te krijgen met het vloeiend spreken van wat ooit de Vlaamse elite-taal was. En ACAPSUL klaagde ook ‘hoe moeilijk het is om, zelfs binnen de universiteit, Vlaamse partners te vinden die haar nationaal karakter willen verdedigen.’ En dat slogans als ‘Leuven-Vlaams’ en ‘Walen-buiten’ ook gematigde Vlamingen het zwijgen oplegden.[5]
Tijdens de discussies over de taalwetten van het kabinet-Lefèvre in 1962 en 1963 gingen de melkpotjes in Leuven aan het koken. Op 28 februari 1963 vonden de eerste destructieve confrontaties plaats tussen Vlaamse en Franstalige studenten en rijkswacht in en om de Leuvense Bondgenotenlaan.
ACAPSUL eiste de facto faciliteiten voor Franstaligen, in het onderwijs, en zelfs in de overheidsadministratie in Leuven. De liberalen pikten er even op in met een wetsvoorstel voor faciliteiten in Leuven en drie omliggende gemeenten. Het leverde hen enkele maanden lang een toevloed van nieuwe leden aan de katholieke universiteit op.
Het hielp overigens niet dat de regering Lefèvre het probleem graag naar de bisschoppen doorverwees, als Inrichtende Macht, en die laatsten alle ongenoegen vaak naar de wetgever doorstuurden. Finaal, in de taalwetten van de zomer van 1963 kregen de Franstaligen wat kleine concessies inzake onderwijs, waarvan later niets in huis kwam.
De regering bleek ook bereid een hulpdienst voor Franstalige administratieve verrichtingen te betalen en te bemannen binnen de universiteitsgebouwen. Die was spoedig overbodig omdat in individuele gevallen zowel de Vlaamse personeelsleden van de universiteit als de stadsambtenaren van Leuven bijna altijd bereidwillig hun Frans bovenhaalden als dat nodig bleek.
Eind november 1961, na het overlijden van kardinaal van Roey, was een nieuwe aartsbisschop aangetreden, de 59-jarige Brusselaar Léon-Joseph Suenens. Hij zette vrijwel onmiddellijk commissies van experten aan het werk om de universiteit aan de nieuwe taalwetgeving aan te passen. Dat leidde in de zomer van 1962 tot het besluit om de universiteit op taalkundige basis te decentraliseren, tot op het niveau van de faculteiten, zonder daarom de hele structuur zelf te splitsen.
De bisschoppenconferentie benoemde in de zomer van 1962 een nieuwe rector, de 47-jarige monseigneur Albert Descamps, om dat uit te voeren. Van Waeyenbergh, inmiddels 71 en nochtans ook een icoon van verzet in de oorlog, mocht als één van de eersten het nieuwe statuut van emeritaat gaan uittesten.
De zoektocht naar nieuwe structuren had niet alleen met de taalwetten te maken, maar ook met de spectaculaire groei van de universiteiten in die jaren. De geleidelijke democratisering van het onderwijs, via studiebeurzen en een toenemende overheidsfinanciering, ook van de vrije universiteiten, deed het aantal studenten exploderen. Leuven telde in 1953 9.500 studenten. In 1964 was dat het dubbele, in 1969 nog eens ruim 50 % erbij, tot een totaal van 28.378.[6]
Begin de jaren zestig dachten politici en universiteiten dat de oude centra dit onmogelijk alleen konden opvangen. Ze kwamen met diverse mogelijke remedies op de proppen: nieuwe universiteiten in Antwerpen en Namen, of decentralisering van de bestaande universiteiten – vooral hun kandidaturen (de huidige bachelors) - over het hele land. Daarbij moest natuurlijk ook gelet worden op het aloude evenwicht tussen katholieken en vrijzinnigen.
Premier Lefèvre kondigde op 25 juni 1964 een plan aan dat beide remedies uitwerkte, en dat op 9 april 1965 wet werd. Voor katholiek Leuven hief men de oude wettelijke beperking van 1911 op die de universiteit verbood om buiten het arrondissement Leuven te treden. Concreet mocht de universiteit nu ook vestigingen krijgen in het arrondissement Nijvel, en – specifiek voor geneeskunde – in een nieuwe kliniek in Sint-Lambrechts-Woluwe, aan de rand dus van de Brusselse agglomeratie.[7]
Dat laatste was snel beslist. De opleiding van een toenemend aantal Franstalige studenten geneeskunde in de ziekenhuizen in en om Leuven – in Pellenberg, in Herent en vooral in de Sint-Pieterskliniek van het toenmalige OCMW aan de Brusselse straat – zorgde voor frequente taalincidenten met de patiënten van zowel die Franstalige studenten, als hun professoren en assistenten. De Vlamingen in die faculteit – onder wie decaan Jozuë Vandenbroucke en de latere eerste Vlaamse lekenrector Piet De Somer – klaagden ook het hardst over blijvende discriminaties van Nederlandstaligen in het academisch korps.[8]
Opvallend: Franstalige afgevaardigden van de universiteit van Leuven opperden al in 1963 in de voorbereidende discussies van de wet de mogelijkheid om meteen de expansie van de Franstalige faculteiten zoveel als mogelijk naar Waals-Brabant door te voeren, gezien de taalwetgeving en de toenemende Vlaamse druk. Premier Theo Lefèvre wees dit echter af, omdat dit volgens hem naar zowel het einde van de universiteit als van België kon leiden.[9]
Er was, achteraf bekeken, binnen het academisch korps en de leiding van de universiteit zeker tot 1965 een grote wil aanwezig om één universiteit te handhaven, ook als die zich ver buiten Leuven zou verspreiden. Dat gebeurde trouwens achteraf met de Vlaamse universiteit met haar extensies in Kortrijk en Brussel, en later zelfs in haar samenwerkingsverband met een tiental hogescholen. En zoals we net zagen, waren er aan Franstalige kant naast de gebruikelijke heethoofden, veel ‘realisten’ die beseften dat de verhuis uit Leuven, gezien de evolutie van de taalwetgeving, in de sterren stond geschreven.
Toch liep het mis, met precies één van die ‘realisten’: Michel Woitrin, een van Namen afkomstige 46-jarige professor in de economie. Die was in het kader van de decentralisering van 1962 algemeen beheerder geworden van de Franstalige sectie van de universiteit. Hij gaf begin november 1965 een interview weg aan het blad van de Franstalige studenten, waarin hij zijn toekomstvisie schetste.
Hij zag die in Leuven nog, met in eerste instantie expansie richting Sint-Lambrechts-Woluwe, dus Brussel. Dat laatste vond hij goed, gezien die stad een internationaler karakter kreeg met de Europese instellingen. Over Waver was hij iets meer aarzelend. Maar hij bevestigde dat er terreinen werden aangekocht en dat de taalwetgeving het nodig maakte in die richting te zoeken.
Dat was ongeveer wat rector Descamps ook al had gezegd bij de opening van het academiejaar. Maar Woitrin zette dat in een voor die tijd nog typisch breed en modernistisch kader, haast zeker om het project extra aantrekkingskracht te geven. Hij zag de Franstalige afdeling van de katholieke universiteit op die manier groeien en nuttig zijn in een ‘groot algemeen ruimtelijk plan van het zeer grote Brussel van de toekomst.’[10]
Dat laatste werd, vrijwel onmiddellijk, in bijna heel Vlaanderen, het dreigend beeld van de ‘reusachtige olievlek,’ de verfransing van een grote hap Brabant ten oosten van Brussel, voorbij Leuven en dus richting Aarschot en het sowieso nog een beetje verfranste Tienen. Angst, geboren uit het misverstand en een gebrek aan rechtstreeks overleg, werd weer de motor van communautaire hoogspanning.
Een week later verscheen een felle aanklacht in De Standaard, enkel ondertekend met de initialen G.A. Het waren haast zeker de decanen Albert van Windekens van Wijsbegeerte en Letteren en Jozuë Vandenbroucke van Geneeskunde die het stuk schreven. Het werd een eruptie van alle mogelijke Vlaamse frustraties.
De auteurs vreesden een algemeen Franstalig offensief, in het zog van de verkiezingsoverwinning van de liberalen van Omer Vanaudenhove, de schoenenfabrikant uit Diest. Die had met een nieuwe partij, de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang (PVV), waarin voortaan ook katholieken welkom waren, in de parlementsverkiezingen van 23 mei 1965 twintig zetels gewonnen. In haar programma stond onder meer de herziening van de taalwetgeving.
Het anonieme stuk raakte een gevoelige snaar bij de Vlaamse parlementsleden van de CVP. De partij, die 19 zetels had ingeleverd, kraakte langs de communautaire breuklijn. In die felle koortsopstoot groeide in Vlaanderen plots grote eensgezindheid rond de eis dat de ‘Walen’ Leuven moesten verlaten. Ook aan Franstalige kant escaleerden de standpunten. De kranten De Standaard en La Libre Belgique ontpopten zich tot de spreekbuizen van de harde lijn. Studenten uit beide kampen betoogden regelmatig, en zochten met plezier de rechtstreekse confrontatie op.
Begin december 1965 keerden kardinaal Suenens en de bisschoppen terug van het Tweede Vaticaans Concilie in Rome. Ze besloten voorzichtig in te grijpen, met een commissie onder leiding van de Leuvense hoogleraar Edward Leemans. Die laatste pakte de zaken heel pragmatisch aan, maar kreeg te kampen met perslekken en finaal blijvende onenigheid tussen Vlamingen en Franstaligen.
Op 13 mei 1966 kwamen de bisschoppen, na raadpleging van nog een aantal topfiguren uit de katholieke zuil, dan toch met een zogenaamd ‘mandement’ uit, een officieel herderlijk schrijven.[11] Daarin benadrukten ze de blijvende eenheid: ‘wij weigeren twee katholieke universiteiten te overwegen.’ Wel kon, om de forse groei van het aantal studenten op te vangen, verder gedecentraliseerd worden: in de faculteiten, via spreiding van de kandidaturen, ook naar Sint-Lambrechts-Woluwe en Waver toe.
De bisschoppen omschreven hun tekst als un ordre voor academici en personeel. In het Nederlands werd dat eerst ‘bevel’, maar Leemans verzachtte het nog tot ‘verordening.’ Vooral stelden de bisschoppen dat ‘elke academische vrijheid verzoend moet worden met onderwerping aan de verantwoordelijke chefs.’ En dat ‘de studenten die zich niet kunnen vinden in deze bepalingen daar zelf de gevolgen uit moeten trekken.’[12]
Ditmaal waren de studentenbewegingen sneller dan de kranten. Daar broeide al een tijd, door de democratisering en ook en vooral in het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond, een linksere koers van strijdbaar studentensyndicalisme. Met veel zin voor geschiedenis maakte het KVHV al op zondagavond 15 mei in een communiqué een vergelijking met de Instructies van kardinaal Mercier van 1906. Het deed het mandement meteen af als ‘niet-bestaand.’
De studenten kregen discreet aanmoediging van hun Vlaamse professoren. Eén van hen beschreef later hoe het eraan toe ging: ‘Aan de studentenhuizen werden zwarte vlaggen uitgehangen. Op straat en in de kerken zongen de studenten de protestsong van de Amerikaanse negers: We shall overcome. In optochten werden spandoeken en open regenschermen meegedragen met opschriften als ‘Suenens inquisitie’ of ‘stop een bisschop in uw tank.’ In stoeten werden spottend mijters opgezet. Met reden blokletterde De Standaard op 17 mei: Golf van antiklerikalisme slaat over Leuven.’[13]
Studenten knokten op de Leuvense Bondgenotenlaan met de rijkswacht dat het een lust was. Ze hielden fier statistieken bij van het aantal nachten dat ze in de cel hadden vertoefd. Tijdens de zondagsmis van kardinaal Suenens op 22 mei in Mechelen begonnen studenten de Vlaamse Leeuw te zingen. Het universiteitsbestuur besliste op 20 mei wijselijk het academiejaar vervroegd af te sluiten.
De communautaire beroering verspreidde zich razendsnel over heel België. Op 8 juni diende Jan Verroken, de fractieleider van de CVP in de Kamer, een wetsontwerp in tot regeling van het taalgebruik in het hoger onderwijs. Het werd al een tijd voorbereid. Dat ging echter in tegen de afspraak van het op 19 maart aangetreden rooms-blauwe kabinet onder leiding van de 47-jarige Brusselse zakenman en CVP-voorzitter Paul Vanden Boeynants. En dus weigerde een meerderheid in de Kamer op 28 juni de tekst in overweging te nemen. Het was een uitgesproken communautaire stemming, met de liberalen van de PVV uit Vlaanderen die de doorslag gaven voor het ‘neen.’[14]
De bisschoppen corrigeerden snel hun mislukte dictaat. Ze maakten op 25 mei Leemans tot commissaris-generaal van de universiteit, met de uitdrukkelijke bevoegdheid haar te herstructureren, en het project-Waver aan te pakken. Ze benoemden ook een nieuwe Vlaamse pro-rector: de 49-jarige arts Piet De Somer, en voor de eerste keer sinds 1830 een leek.
Het bleef echter ook in het nieuwe academiejaar onrustig. De eis van verhuis van de Franstalige afdeling lag nu op tafel, zonder dat er een besluit kon komen. In oktober kocht de universiteit grote lappen grond aan in Ottignies, ten zuiden van Waver. De studenten radicaliseerden verder, wat heel wat Vlaamse professoren afstand deed nemen. Eén van hun leiders, Ludo Martens, zou, als hoofdredacteur van Ons Leven, zelfs van de universiteit buitengesloten worden, nadat hij een speciaal seks-nummer had uitgebracht (dat in ons hedendaags blikveld uitermate onschuldig zou ogen).[15] In die tijd was het nog veel subversiever over seks te schrijven dan Vlaamsgezind te zijn.
Leemans kon verdere autonomie doorvoeren. Maar dat leidde vrijwel onmiddellijk tot ruzies over de verdeling van de budgetten. De Franstalige afdeling wou uiteraard extra-investeringen voor de nieuwe campus. De Vlaamse eiste eerst klaarheid over de planning. Dat bleef allemaal politiek heel gevoelig. De Franstalige academici waren diep verdeeld tussen diegenen die zich neerlegden bij de verhuis, weze het onder goede voorwaarden, en diegenen die mordicus in Leuven zelf wilden blijven. Het ging immers ook om het zoeken van vele honderden nieuwe woningen, buiten de vertrouwde stad.
Op 14 januari 1968 keurde de Academische Raad van Leuven-Frans een nieuw expansieplan goed, vaag over Waver, resoluut met een keuze voor Leuven en ‘met de beschikking over middelen om er zich, zonder beperkingen, te ontplooien.’ Opnieuw ontplofte het studentenprotest, daags nadien al. Nog een dag later lanceerde de Vereniging van Vlaamse Professoren naar de studenten een oproep opdat ‘hun rechtmatig verzet zeer hard zou zijn.’
Zo geschiedde. Twee weken lang werd er geknokt in de straten van Leuven, met duizend rijkswachters permanent in het geweer. Omdat een deel van de studenten, onder leiding van hun nieuwe KVHV-preses Paul Goossens, tussen twee betogingen door ook ging demonstreren aan de fabriekspoorten van de mijnen in Limburg of bij FN in Herstal, voelden justitie en rijkswacht zich geroepen om harder toe te slaan. De journaalbeelden van gendarmen die de studenten met knuppels en het waterkanon achtervolgden tot in de ingang van het warenhuis Galeries Anspach aan de Bondgenotenlaan staan nog steeds op youtube.[16]
Inmiddels hadden onbekenden molotov-cocktails in de kantoren van Michel Woitrin geworpen en een auditorium in brand gestoken. Op 16 januari werden 325 studenten gearresteerd, acht dagen later zelfs 675. Die repressie bracht in de eerste dagen van februari vele middelbare scholen in Vlaanderen tot spontane stakingen, vaak met sympathie en onder controle van de leerkrachten. De Vlaamse professoren in Leuven hadden al in de laatste week van januari het werk neergelegd.
Premier Paul Vanden Boeynants liet in een overleg met Edward Leemans op 25 januari nog steeds de hete aardappel in de schoot van de bisschoppen rusten. Hij zegde wel financiële steun toe, voor welk plan ook. Twee dagen later vertrok hij, naar eigen zeggen op doktersvoorschrift, voor een week rust naar de Canarische eilanden.
Op 2 februari – Lichtmis en dus de feestdag van de universiteit – gaf de Brugse bisschop De Smedt een interview weg aan De Standaard waarin hij het mandement van 1966 een ‘schromelijke vergissing’ noemde Het expansieplan van Leuven-Frans van 14 januari catalogeerde hij als een ‘werkelijke provocatie voor de Vlamingen.’ Vanden Boeynants keerde ijlings weer.
Het was te laat. Inmiddels hadden de Vlaamse CVP-parlementsleden, te midden van de humaniorastakingen, besloten zelf het voortouw te nemen en niet aan de Volksunie te laten. Op 6 februari interpelleerde Jan Verroken. Er kwam geen antwoord meer. Het kabinet viel daags nadien uiteen, door de diepe communautaire onenigheid bij de christendemocraten. Vanden Boeynants ging zijn ontslag indienen bij de koning.
Na nog enige mislukte lijmpogingen volgden vervroegde verkiezingen op 31 maart 1968. Opnieuw verloor de CVP – inmiddels helemaal communautair uit elkaar gevallen – acht zetels. De communautaire partijen wonnen 15 zetels.[17] Wat volgde was de langste regeringsformatie ooit, 79 dagen. Finaal effende Vanden Boeynants, de grote winnaar in Brussel, als formateur het terrein. Maar hij liet het premierschap op 17 juni aan een politiek ervaren, 63-jarige professor uit Leuven: Gaston Eyskens.
Het drama deed knopen doorhakken. Het regeerakkoord acteerde de belofte van Vanden Boeynants om ruim geld te voorzien, maar bleef vaag over de finaliteit van het lot van Leuven-Frans. Nog in de laatste dagen van het kabinet Vanden Boeynants had ACV-voorzitter Gust Cool een aantal hoofdrolspelers voorgerekend dat men met minstens 40 miljard frank moest rekenen. Dat had toen net geen doorbraak opgeleverd, omdat de hoofdkwestie – geheel uit Leuven verhuizen of niet – nog niet getrancheerd geraakte.
De nieuwe verkiezingsnederlaag, het uiteenvallen van de CVP, de langdurige regeringscrisis en het regeerakkoord over het opnieuw ‘definitief oplossen’ van de communautaire problemen, versnelden het rijpingsproces. Op 6 juli 1968 wist André Oleffe, de 54-jarige voorzitter van de Mouvement Ouvrier Chrétien, de Waalse koepel van de christelijke arbeidersbeweging en zelf afkomstig uit de buurt van Waver, een aantal tenoren in het verhaal bijeen te brengen. Onder hen rector Descamps, de twee pro-rectoren en Leemans. Dat was in zijn kantoor als lid van de Bankcommissie in de Brusselse Livornostraat.
Het werd een lange en emotionele vergadering, maar finaal kon Oleffe alle Franstaligen verenigen op de node aangenomen stelling dat men de ‘onteigening’ uit Leuven kon aanvaarden, als ze ook fors gefinancierd zou worden. Er volgde een nieuw expansieplan van Leuven-Frans op 15 september. Dat plande de hele overheveling naar Ottignies ten zuiden van Waver op 10 jaar.
In 1970 verwierven beide universiteiten de aparte rechtspersoonlijkheid. Dat gebeurde bijna tegelijkertijd ook met de vrijzinnige universiteit van Brussel, die eveneens in twee werd gesplitst. De leiding van de Brusselse universiteit had daar zelf toe besloten, na de gebeurtenissen in Leuven in de eerste maanden van 1968.
De concrete uitvoering van de splitsing van Leuven verliep niet zonder ruzies. Over elk dossier werd er geredetwist, en over alles wat met geld en eigendom te maken had. De wonden die geslagen waren lagen nog helemaal open. Bekend is de vete rond de splitsing van de bibliotheek, die tweemaal in de Wereldoorlogen vernield was geworden. Finaal bleek enkel een absurde verdeling op basis van pare en onpare nummers voor beide partijen aanvaardbaar.
Tot omstreeks 1980 kon men in Leuven nog op Franstalige studenten, hoogleraren en lessen botsen. De historici behoorden, zoals ik zelf mocht ervaren, tot de laatsten die verhuisden. In die jaren reed ik vanuit de Vlaamse unversiteit regelmatig over de kronkelwegen via Overijse naar het fraaie, nagelnieuwe maar o zo tochtige Louvain-la-Neuve om er boeken te raadplegen die vroeger in het Amerikaanse palazzo aan het Ladeuzeplein in Leuven hadden gestaan. Het duurde nog eens tien jaar eer beide universiteiten weer op normale voet met elkaar leerden omgaan.
[1] Zie daarover hoofdstuk 55.
[2] In de jaren vijftig was onder het kabinet Van Acker ook wetgeving ingevoerd die de scholen ertoe verplichtte zich te conformeren aan de taalwetten, onder meer in de wet van 30 april 1957. Het was ook die wet die een einde maakte aan het tweetalig statuut van de Provinciale Normaalschool van Tienen waar Louis Michel studeerde. Zie R. FALTER, Een Belgisch onderwijsexperiment. Taaltoestanden in de Provinciale Normaalschool te Tienen (1911-1964), - Wetenschappelijke Tijdingen, 1981, 239-252, 1982, 52-60.
[3] C. LAPORTE, 70. Dat werk, en dat van H. TODTS & W. JONCKHEERE (beide al geciteerd in hoofdstuk 32 over Gent) vormen de basis van dit hoofdstuk. We halen ze enkel nog aan voor specifieke cijfers of citaten. ACAPSUL, opgericht in februari 1962, was de afkorting van Association du Corps académique et du Personnel scientifique de l'Université de Louvain
[4] C. LAPORTE, 59.
[5] C. LAPORTE, 71.
[6] Cijfers bij C. LAPORTE, 16.
[7] T. LUYKX, 511-512. De katholieken kregen ook nog nieuwe instellingen in Antwerpen en Namen, die ingericht werden door de jezuïeten. Die opereerden als van oudsher apart van de bisschoppen. De twee vrije universiteiten, de katholieke van Leuven en de vrijzinnige van Brussel, sloten dra een akkoord om hun uitbreiding in het nieuwe arrondissement te beperken tot respectievelijk het kanton Waver en het kanton Nijvel. Daarmee spraken ze in feite af uit elkaars rekruteringsterrein te blijven.
[8] Een uitgebreid overzicht over de faculteit geneeskunde bij H. TODTS & W. JONCKHEERE, 80-94.
[9] C. LAPORTE, 126, 128-129. Het was de latere UCL-rector Michel Woitrin die dit aanhaalde in zijn herinneringen over een gesprek bij Lefèvre op de Wetstraat 16.
[10] Het was, achteraf bekeken, het cruciaal moment in de Leuven-saga. Het citaat is te vinden bij H. TODTS & W. JONCKHEERE, 102. Beide auteurs analyseren de vraag of de uitspraak een frontale aanval was, om de prijs voor de Franstaligen op te drijven, dan wel een poging om het project voor hen smakelijk te maken. Woitrin zelf, later de eerste algemeen beheerder van de autonome UCL en dus bouwheer van Louvain-la-Neuve, heeft zich altijd verdedigd dat hij niet wilde provoceren. Hij gaf zes weken later een verklaring uit waarin hij uitdrukkelijk stelde alle taalwetgeving te willen respecteren. C. LAPORTE, 133-140, citeert uitgebreid uit het oorspronkelijk interview. Mij lijkt met al die gegevens de these van het smakelijk maken van het groots project toch de meest waarschijnlijke.
[11] Kardinaal Suenens raadpleegde op 30 april in Mechelen, op een vergadering in het bijzijn van Leemans en de Franstalige vice-voorzitter van diens commissie, kanunnik Aubert, de Vlaamse oud-ministers August De Schrijver en Dries Dequae, ACV-voorzitter Gust Cool, de uit Virton afkomstige oud-minister en industrieel Ernest Adam, de Leuvense advocaat, ex-senator en directeur van de plaatselijke Generale Bank Maurice Schot, en graaf Charles-Emile d’Oultremont van de Franstalige katholieke werkgevers. C. LAPORTE, 185.
[12] Tekst bij C. LAPORTE, 193-197 en bij H. TODTS & W. JONCKHEERE, 152-153.
[13] Raymond Derine, geciteerd bij H. TODTS en W. JONCKHEERE, 156. ‘Stop een tijger in uw tank’, was in die tijd een heel opvallende en bekende reclameslogan van het oliebedrijf Esso.
[14] Het was in die jaren dat de Volksunie de afkorting lanceerde ‘Pest voor Vlaanderen’.
[15] Martens werd later, samen met Kris Merckx, de arts en gewezen preses van de faculteitskring Geneeskunde, de oprichter van Amada, ‘Alle Macht aan de Arbeiders’. Dat was een radicaal-linkse beweging, die zich op het communisme van de Chinese leider Mao Zedong inspireerde. Amada werd in 1979 de Partij van de Arbeid.
[16] Beelden van de VRT, de toenmalige BRT, onder de titel ‘Leuven 1968’ op youtube. Men hoort de studentenslogan: ‘VDB ontslag’ naar premier Vanden Boeynants toe.
[17] Zie volgend hoofdstuk.